De Bitterzoete Storm

Liefde, die de ledematen verslapt, bevangt mij,
Onweerstaanbaar wezen dat zowel zoet als bitter
Mijn hart bestormt, zoals een bergbries de eiken
Woest laat trillen.
Eerst was daar de blik, de ontmoeting die brandde,
Scherper dan de zon op de marmeren paden.
Ik zag je even, en mijn stem werd een brokstuk,
Stil en gebroken.
Nu rest slechts de leegte waar jij bent vertrokken,
Zoals de herfstwind de bladeren wegvaagt.
Liefde is een wever van dromen en pijnen,
Eindeloos wevend.
Maanlicht vloeit nu over de lege kussens,
De nacht is halverwege, de uren kruipen.
Jij bent elders, en ik lig hier in stilte,
Eenzaam te wachten.

De Bitterzoete Storm

Liefde, die de ledematen verslapt, bevangt mij,
Onweerstaanbaar wezen dat zowel zoet als bitter
Mijn hart bestormt, zoals een bergbries de eiken
Woest laat trillen.
Eerst was daar de blik, de ontmoeting die brandde,
Scherper dan de zon op de marmeren paden.
Ik zag je even, en mijn stem werd een brokstuk,
Stil en gebroken.
Nu rest slechts de leegte waar jij bent vertrokken,
Zoals de herfstwind de bladeren wegvaagt.
Liefde is een wever van dromen en pijnen,
Eindeloos wevend.
Maanlicht vloeit nu over de lege kussens,
De nacht is halverwege, de uren kruipen.
Jij bent elders, en ik lig hier in stilte,
Eenzaam te wachten.